Geschiedenis

De oudste benaming die voorkomt voor wat nu Terschelling heet is Actania. Griekse en Romeinse schrijvers berichten toen al over het Waddengebied. Toen waren het nog geen eilanden zoals we nu kennen maar was de het hele Waddengebied een groot afwater gebied was voor de onder andere de Rijn. In de Middeleeuwen komt de naam Der Schelling steeds meer voor. Deze samen ging met het oostelijker gelegen eiland Wexalia. De naam Wexalia, Wuxalia of Wecsile geldt als de middeleeuwse naam voor het gebied van Oost-Terschelling. De naam Wexalia raakte al in de Middeleeuwen in onbruik.

Het “Der” is door de eeuwen heen veranderd in “Ter” en tegenwoordig is het dus Terschelling. Eigenlijk zou men dus de naam net als in de eilander dialecten (Schylge) en het Fries (Skylge) moeten gebruiken zonder het “Ter” ervoor. Schelling dus.

Tijdens de watersnood van 1287, op Terschelling ook wel de St. Hubertusvloed genoemd, kwam de Waddenzee tussen Terschelling en het vasteland van Friesland te liggen. Voor die tijd was het eiland te voet bereikbaar vanaf Dijkshorn aan de Friese kust naar Hoorn. Hierdoor was Hoorn de belangrijkste plaats op het eiland. Na de ramp was de passage niet meer mogelijk, en kwam de verbinding op West te liggen. Hierdoor werd West-Terschelling met haar gunstige ligging aan het water de belangrijkste plaats.

Net als haar ontstaansgeschiedenis tot het eiland wat we nu kennen is ook heel wat geschoven met de eigendomsrechten van het eiland. In Duitse handen, Friese heren, Hollandse heren, Terschelling lag natuurlijk ver weg van de toenmalige bestuurscentra.  De Popma’s waren de enige echte heren van Terschelling in de 14de en de 15de eeuw. Bij Oosterend is nog steeds een kleine heuvel in het grasland te vinden waar hun “kasteeltje” heeft gestaan. Met de opkomst van de VOC en het steeds belangrijker worden van het Vlie, het zeegat tussen Terschelling en Vlieland, kwam het eiland onder Hollands bestuur te staan.

In de Franse tijd is het kortstondig onder Fries bestuur geweest en pas met de 2de wereldoorlog is Terschelling (en Vlieland) bij de provincie Friesland gekomen. Waarom er geen Fries wordt gesproken op het eiland? Omdat het eiland dus nog niet zolang bij Friesland hoort.

Bouwwerken

De oudste bewoningsresten op Terschelling dateren van rond 850, toen een klein houten kerkje werd gebouwd op een heuvel bij Striep. Deze heuvel is later als grafheuvel in gebruik genomen en staat bekend als het Strieper kerkhof. Bij opgravingen in de buurt van Kinnum en Kaard zijn echter ook al eens aanwijzingen gevonden dat er al bewoners waren in de 6de en 7de eeuw. Waarschijnlijk werd het gebied wat nu bekend stat als Terschelling al rond het begin van de jaartelling bewoond.

Het oudste nog bestaande gebouw is de Sint Janskerk (naar Johannes de Doper) in Hoorn. Een typische kerk uit de 14de eeuw die gelukkig nog steeds in gebruik is en in de vorige eeuw flink opgeknapt is (foto’s).

Op West-Terschelling zijn nog enkele oude huizen te vinden uit de 17de eeuw, voornamelijk in de Commandeurstraat, in enkele daarvan in het oudheidkundig museum gevetigd. Door brandstichting van de Engelse vloot in 1666 zijn er weinig gebouwen meer overgebleven van voor die tijd. Ook de zee heeft door de jaren heen haar best gedaan.

Uitzondering hierop is natuurlijk het bekendste gebouw van het eiland, de Brandaris. Al in de 14de eeuw stond er een toren om de schepen veilig naar binnen en buiten te leiden richting Amsterdam en de steden aan de Zuiderzee. De zee geeft maar neemt echter ook vaak dus in 1570 was het over en uit voor deze eerste Brandaris. De huidige Brandaris stamt uit 1594

Oost-West

Vanouds bestaat er op Terschelling een controverse tussen de bewoners van West-Terschelling, met een sterke gerichtheid op de zee, en de meer agrarisch georiënteerde bewoners van Oost-Terschelling. In 1612 leidde die controverse tot een scheiding van het eiland in twee bestuurseenheden, West-Terschelling en Oost-Terschelling. West-Terschelling werd vanuit het gelijknamige dorp bestuurd, het drosthuis van Oost-Terschelling stond in Midsland. Pas na de Franse bezetting in het begin van de negentiende eeuw werd Terschelling weer een bestuurlijke eenheid, en werd West-Terschelling het bestuurscentrum van de gemeente.

Engelse furie

Op 20 augustus 1666 is West-Terschelling tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog overvallen door een Engelse vloot.[3] De vloot stond onder leiding van admiraal Robert Holmes, vergezeld door de Hollandse deserteur de kapitein Laurentsz van Heemskerk.[3] Van Heemskerk wist dat de eilanden, waar een deel van de magazijnen van de staat en de Oostindische Compagnie zich bevonden, zich niet in staat van paraatheid bevonden. Oorspronkelijk was de admiraal van plan om Vlieland aan te vallen, maar bij verhoor van krijgsgevangenen bleek dat Vlieland lang niet zo belangrijk was. De admiraal voer dus met 11 compagnieën naar de haven van West-Terschelling, die zij the town of Brandaris noemden.[3] Zij troffen nauwelijks enige weerstand van de lokale bevolking. De soldaten trokken brandschattend door het ruim duizend huizen tellende dorp, dat vrijwel geheel in de as werd gelegd. In de Engelse geschiedenis heet dit Holmes’ Bonfire vernoemd naar Sir Robert Holmes. Holmes, die wist hoe gevaarlijk en moeilijk bevaarbaar de kustwateren waren, zorgde ervoor met hoog water de haven weer te verlaten, en liet de rest van het eiland voor wat het was.[3]

De vuurtoren Brandaris, uit 1594, was in 1666 een van de weinige overgebleven gebouwen nadat de Engelsen West-Terschelling in brand hadden gestoken.

css.php